NLFR

Contagieuze equine metritis (CEM)

Taylorella equigenitalis

Indicaties en opmerkingen

Infectie met Taylorella equigenitalis verloopt subklinisch bij hengsten. Bij merries kan een acute purulente endometritis ontstaan. Besmetting vindt plaats tijdens het dekken. Taylorella equigenitalis kan langdurig persisteren ter hoogte van het genitaalstelsel. Na therapie moet gecontroleerd worden op het ‘vrij zijn’ van de infectie.

In de regel worden bij hengsten drie stalen genomen: één t.h.v. het preputium, één t.h.v. de sinus urethralis en één t.h.v. de fossa glandis. Bijkomend kunnen eventueel sperma en/of voorsecreet bemonsterd worden. Bij merries wordt één staal genomen t.h.v. de fossa clitoridis en één t.h.v. de clitoridale sinussen. Tijdens de bronst wordt ook een staal genomen van de baarmoeder (cervix en endometrium).

Voor staalname wordt gebruik gemaakt van swabs in transportmedium met actieve kool om de overlevingskansen van de kiem te verhogen. Stalen moeten gekoeld worden en binnen de 24 u aan het laboratorium bezorgd te worden.

Binnen de Europese Unie zijn er enkel voorwaarden m.b.t. CEM voor donordieren van sperma, embryo’s en eicellen: deze dieren moeten getest worden, zodat de afwezigheid van de bacterie kan aangetoond worden. Voor het handelsverkeer van paarden binnen de EU zijn er geen specifieke eisen aangaande CEM.

Wanneer paarden naar derde landen (niet-EU) worden uitgevoerd, bepaalt het land van invoer aan welke voorwaarden moet voldaan worden. Veelal eisen deze landen een CEM-test, die aantoont dat het dier of het sperma/embryo vrij is van de infectie. Deze voorwaarden zijn terug te vinden in de ‘derde landen certificaten’ op de website van het FAVV (www.favv-afsca.be/exportderdelanden/levendedieren/).

PREVENTIE EN BEHANDELING

1. Preventie:

  • Preventie is gericht op strikte hygiënische maatregelen om insleep van de ziekte te vermijden. Afzonderlijk materiaal voor vaginaal onderzoek en bedrijfskledij per stoeterij is aangewezen. Hengsten dienen voor het dekken bacteriologisch onderzocht te worden. Besmetting kan voorkomen worden door kunstmatige inseminatie.

2. Lokale behandeling:

  • Intensieve therapie is noodzakelijk om de dieren vrij te krijgen van de kiem.
    • Hengsten: De penis en het preputium moeten gedurende 3 opeenvolgende dagen gewassen worden met chloorhexidine. Na negatief bacteriologisch onderzoek kan de microbiota vernieuwd worden door enting met de microbiota van een negatief paard.
    • Merries: Merries worden bij voorkeur behandeld tijdens de oestrus. De baarmoeder moet worden gespoeld, gevolgd door intra-uteriene behandeling met penicilline G of een aminopenicilline. Vulva en fossa clitoridis moeten gedurende 3 opeenvolgende dagen gewassen worden met chloorhexidine, gevolgd door behandeling met een nitrofurazone bevattende zalf (nitrofurazone mag niet worden toegediend aan voedselproducerende paarden).
  • Na behandeling dienen merries en hengsten door middel van bacteriologisch onderzoek gecontroleerd te worden op vrij zijn van de besmetting.

3. Systemische behandeling:

-

Keuze van het antibioticum/chemotherapeuticum. (Klik op de naam om de bijsluiter te raadplegen)

Eerste keuze(s)
/
Tweede keuze(s)
/
Derde keuze(s)
/

+ Aanvullingen

Behandeling van de penis van hengsten kan irriterend zijn en leiden tot overgroei met chloorhexidineresistente kiemen (waaronder Pseudomonas spp.).

+ Staalname en diagnostiek

Diagnose wordt gesteld door het aantonen van de kiem. Bij merries met klinische symptomen is de bacteriologische diagnose meestal vrij gemakkelijk. Het opsporen van dragers (zowel merries als hengsten) is heel wat moeilijker en vals negatieve resultaten komen frequent voor. Heel belangrijk hierbij is de juiste staalname. Het verdient de voorkeur om een staal te nemen uit de uterus met een hiervoor gepaste swab. Onderzoek van vaginale uitvloei is mogelijk, maar hier verloopt het bacteriologisch onderzoek moeilijker.

Aantonen van de kiem:

Bij merries neemt men met een fijne wisser een staal ter hoogte van de fossa clitoridis en ter hoogte van de middelste clitoridale sinus. Vooraf dient men de vulva te reinigen met een droge doek (niet ontsmetten, geen zeep gebruiken want de kiem is zeer weinig resistent) en moet men het eventueel aanwezige smegma verwijderen. Bij hengsten worden 3 stalen genomen: één ter hoogte van het preputium, één ter hoogte van de urethra en één ter hoogte van de fossa glandis en sinus urethralis. De penis dient hierbij uitgeschacht en in erectie te zijn. Het is zeer belangrijk dat niet te veel materiaal op de wisser genomen wordt, anders treedt overwoekering op van contaminerende kiemen.

Op het uitstrijkje van een uterusswab of van vaginale uitvloei kan men een Gramkleuring (talrijke Gram negatieve staafjes) of enting op selectief milieu uitvoeren. Daar ook T. asinigenitalis kan voorkomen bij paarden (en niet pathogeen is), dient het onderscheid met deze kiem zeker gemaakt te worden. Als alternatief kan men de swabs ook rechtstreeks onderzoeken met een kwantitatieve PCR test die toelaat om T. equigenitalis te differentiëren van T. asinigenitalis. Deze test kan ook toegepast worden op mengculturen bekomen na inoculatie van swabs op selectieve media en incubatie van deze media.

Daar het hier gaat om een weinig resistente kiem, dienen stalen voor bacteriologisch onderzoek onmiddellijk in transportmedium gebracht te worden. Als transportmedium wordt Amies medium met actieve houtskool (charcoal) aangeraden. De houtskool absorbeert metabolieten die geproduceerd worden door contaminerende bacteriën in het staal en die de groei van T. equigenitalis afremmen. De stalen moeten bewaard worden bij 4°C en binnen de 48 uur onderzocht worden.

Serologische diagnose

Serologische diagnose is enkel van toepassing bij merries, aangezien hengsten geen antistoffen opbouwen. Ook bij merries is het opsporen van antistoffen evenwel weinig betrouwbaar daar niet alle merries antistoffen opbouwen en de antistoffen slechts enkele maanden aantoonbaar zijn. Bovendien kunnen vals positieve reacties optreden.