Mastitis door Gram-positieve bacteriën

Staphylococcus aureus, Streptococcus uberis, S. dysgalactiae en S. agalactiae

Indicaties en opmerkingen

Mastitis is de inflammatoire respons ter hoogte van het uierweefsel die hoofdzakelijk ontstaat ten gevolge van bacteriële intramammaire infectie. Via het slotgat en het tepelkanaal dringen bacteriën het hogerliggend uierweefsel binnen (met als belangrijke uitzondering Mycoplasma spp. waar het hematogene infecties kan betreffen) alwaar een immuunreactie wordt uitgelokt die ofwel enkel gepaard gaat met een stijging van het aantal somatische cellen in de melk (subklinische mastitis) of met lokale en/of systemische symptomen (klinische mastitis). Mastitis is een typische aandoening van lacterende dieren met een piek in de incidentie van klinische mastitis in vroege lactatie, ook bij vaarzen. Heel wat intramammaire infecties echter ontstaan tijdens de droogstand en zorgen tijdens de lactatie voor problemen.

Behandelen van klinische gevallen van mastitis gebeurt best zo snel en zo gericht mogelijk en dit op basis van de resultaten van bacteriologisch onderzoek van vorige gevallen van klinische mastitis op het bedrijf (inschatten van de betrokken pathogenen en kennis van resistentieprofielen) en volgens de richtlijnen opgenomen in het bedrijfsbehandelplan dat werd opgesteld met de bedrijfs(begeleidende) dierenarts.

Subklinisch geïnfecteerde dieren worden slechts dan behandeld als ze een goede kans maken op genezing (te bepalen op basis van koefactoren zoals leeftijd en celgetal en op basis van de uitslag van bacteriologisch onderzoek dat aangeeft welke bacterie betrokken is).

Chronische geïnfecteerde en zodoende ongeneesbare dieren worden best opgeruimd gezien ze een klinische opflakkering kunnen doormaken, suboptimaal produceren en andere dieren kunnen infecteren.

Toepassen van een strikt uiergezondheidsmanagement (melken, behandelen, droogstand, ...) is cruciaal in het reduceren van de prevalentie en incidentie van klinische en subklinische mastitis. Ook vaccinatie kan daarin een rol spelen.

In Vlaanderen zijn Escherichia coli, Streptococcus uberis en Staphylococcus aureus de meest voorkomende oorzaken van klinische mastitis, terwijl Corynebacterium bovis, de coagulase-negatieve stafylokokken en de esculine-positieve kokken (waaronder S. uberis) het meest geïsoleerd worden uit koeien met subklinische mastitis.

De meest voorkomende oorzaken van klinische mastitis in Wallonië zijn (zonder onderscheid in ernst) in volgorde van voorkomen: coagulase-negatieve stafylokokken, S. uberis, S. aureus en E. coli. Deze bacteriën zijn verantwoordelijk voor 70% van de geïdentificeerde oorzakelijke agentia.

Keuze van het antibioticum/chemotherapeuticum. (Klik op de naam om de bijsluiter te raadplegen)

Eerste keuze(s)
Intramammair toe te dienen actieve substanties zijn cefalexine, cefapirine, cefazoline en cloxacilline.
Cefalexine, penethamaat en trimethoprim + sulfonamiden worden parenteraal toegediend.
cefalexine cefapirine cefazoline cloxacilline penethamaat trimethoprim + sulfonamiden
Tweede keuze(s)
Intramammair toe te dienen actieve substanties zijn amoxicilline + clavulaanzuur, cefalexine + kanamycine, cloxacilline + ampicilline, lincomycine + neomycine en procaïne benzylpenicilline + neomycine.
Tylosine en procaïne benzylpenicilline + neomycine kunnen parenteraal worden toegediend.
amoxicilline + clavulaanzuur cefalexine + kanamycine cloxacilline + ampicilline lincomycine + neomycine procaïne benzylpenicilline + neomycine tylosine
Derde keuze(s)
Intramammair toe te dienen actieve substanties zijn cefoperazone en cefquinome.
Er zijn geen parenteraal toe te dienen derde keuze middelen.
cefoperazone cefquinome IM
Voetnoten

1: Enkel vergund voor subklinische mastitis

+ Aanvullingen

In Vlaanderen vertonen S. aureus stammen van koeien met (sub)klinische mastitis algemeen een laag voorkomen van resistentie tegen lincomycine en (cl)oxacilline.

Streptokokken (o.a. S. uberis, S. dysgalactiae en S. agalactiae) zijn van nature uit zeer weinig gevoelig aan aminoglycosiden. Deze zijn bijgevolg niet aangewezen, tenzij er d.m.v. het inzetten van een combinatiepreparaat synergisme beoogd wordt. Ook voor lincomycine vertonen streptokokken geïsoleerd uit mastitis een matige tot hoge resistentiegraad (tot 60 % resistente S. uberis stammen). Penicillines en cefalosporines zijn in principe goed inzetbaar, behoudens variabele oxacilline (cloxacilline) resistentie.

Cefoperazone en cefquinome zijn oranje ingekleurd omwille van het feit dat zij hier lokaal (intramammair) aangewend worden.

Voor streptokokken geïsoleerd uit melkmonsters van koeien met (sub)klinische mastitis is er een variabele gevoeligheid voor macroliden (vb. 18 en 14 % resistente S. uberis resp. S. dysgalactiae stammen).

Sulfonamiden bereiken onvoldoende werkzame concentraties in de melk na systemische toediening.