Slingerziekte/Speendiarree

Escherichia coli

Indicaties en opmerkingen

Verotoxigene en enterotoxigene Escherichia coli veroorzaken diarree bij biggen op verschillende leeftijden door kiemaanhechting aan het darmepitheel via adhesines en productie van enterotoxines. Bij productie van vasotoxines veroorzaken ze veralgemeende schade aan de bloedvaten en uittreden van vocht (oedeemziekte). De aandoening komt frequent voor na het spenen (overgang voeder, verandering hok, stress-factoren, ...).

Aandacht moet besteed worden aan uitlokkende factoren: vroeg spenen (speen-stress), voedersamenstelling en -opname, klimaat, hokbezetting en hergroepering, … Het toedienen van ZnO in farmacologische dosering in de eerste 14 dagen na het spenen, kan speendiarree voorkomen. Ter preventie van slingerziekte, kunnen de biggen gevaccineerd worden.

Indien toch ziekte optreedt, is het van belang de aandoening snel te behandelen aangezien de ziekte veel uitval veroorzaakt en een weerslag heeft op de algemene conditie van de big.

Keuze van het antibioticum/chemotherapeuticum. (Klik op de naam om de bijsluiter te raadplegen)

Eerste keuze(s)
Er worden geen eerste keuze antibacteriële middelen voorzien aangezien bij voorkeur preventieve maatregelen genomen worden die de noodzaak tot behandelingen met antibacteriële middelen vermijden.
/
Tweede keuze(s)
apramycine colistine gentamicine lincomycine + spectinomycine paromomycine procaïne benzylpenicilline + neomycine spectinomycine
Derde keuze(s)
trimethoprim + sulfonamiden oxytetracycline danofloxacine enrofloxacine marbofloxacine

+ Aanvullingen

Colistine wordt door de WHO gerangschikt als kritisch belangrijk antibioticum met de hoogste prioriteit (WHO, 2017). Het wordt daarom aanbevolen colistine niet als 1ste keuze middel te gebruiken bij bacteriële infecties bij dieren.

Tegen colistine wordt weinig resistentie waargenomen en dit antibioticum wordt weinig geresorbeerd waardoor het zeer geschikt is om de kiem die aan het oppervlak van de villi zit te neutraliseren. Apramycine vertoont dezelfde eigenschappen. Tegen apramycine zijn de resistentiepercentages doorgaans laag, maar in een studie uitgevoerd in Denemarken werd aangetoond dat apramycine gebruik op bedrijfsniveau het reservoir van E. coli stammen met kruisresistentie tegen apramycine en gentamicine (= kritisch belangrijk antibacterieel middel voor de humane geneeskunde) kan verhogen.

Tegen spectinomycine is de resistentie iets hoger.

Voor paromomycine zijn geen recente gevoeligheidsdata beschikbaar.

Spectinomycine en neomycine zijn elkeen vergund in combinatie met respectievelijk lincomycine en procaïne benzylpenicilline. Binnen deze combinaties vormen spectinomycine en neomycine de werkzame componenten tegen E. coli. Deze species is immers intrinsiek resistent tegen lincosamiden en penicilline G.

Tegen trimethoprim + sulfonamiden en tetracyclines wordt frequent resistentie waargenomen.

Tegen aminopenicillines is er bij E. coli veel resistentie. Bovendien is er een aanzienlijk risico op selectie van ‘Extended spectrum beta-lactamase’ (ESBL) / AmpC - producerende organismen bij gebruik van deze molecules. Deze molecules werden derhalve niet behouden voor classificatie.