Pleuropneumonie

Actinobacillus pleuropneumoniae

Indicaties en opmerkingen

Actinobacillus pleuropneumoniae (APP) wordt overgedragen via dragerdieren of aërogeen. De kiem wordt ingedeeld in twee biotypes en verschillende serotypes waarbij een verschillende graad van pathogeniciteit wordt vastgesteld naargelang het serotype. In de long produceert de kiem verschillende toxines die zorgen voor een necrose van alveoli en vaatwand met een hemorraghisch necrotiserende pneumonie tot gevolg. Veelal bevindt zich aan het longoppervlak ook pleuritis. De kiem veroorzaakt een scala van klinische uitingen afhankelijk van het serotype, infectiedruk en uitlokkende factoren (klimaat, ...), gaande van acute sterfte tot dyspnee en dieren die chronische longletsels ontwikkelen met longabcessen.

Het is van belang uitlokkende factoren, zoals intercurrente longziekten, te beperken. Aandacht moet besteed worden aan goed management: klimaatregeling, hokbezetting, e.a.

Bij aanslepende problemen kan ook vaccinatie helpen om de letsels te beperken.

De economische schade veroorzaakt door pleuropneumonie kan groot zijn. Bij een uitbraak moet daarom direct ingegrepen worden. Therapie met een antibacterieel middel is in dit geval aangewezen.

+ Aanvullingen

De eerste keuze middelen hebben niet alleen een goede werkzaamheid tegen APP maar vertonen ook een goede weefseldistributie ter hoogte van de longen.

Amoxicilline en ampicilline werden bij de tweede keuze ingedeeld omwille van eventuele selectie voor ‘Extended spectrum beta-lactamase’ (ESBL) / AmpC - producerende organismen.

Tegen tilmicosine en tylosine wordt de laatste jaren meer resistentie waargenomen.

Vanwege de betere biologische beschikbaarheid en het lipofieler karakter heeft doxycycline de voorkeur boven oxytetracycline.

Aminosiden vertonen een minder goede orale opname.

Tiamuline werd niet behouden voor classificatie, omdat de werkgroep experten deze molecule wil voorbehouden voor behandeling van dysenterie.

+ Staalname en diagnostiek

In acute gevallen zijn de hemorragische tot necrotiserende pneumonie (soms eenzijdig) en de fibrineuze pleuritis typisch voor een Actinobacillus pleuropneumoniae pleuropneumonie. In de meeste gevallen echter zullen laboratoriumonderzoeken nodig zijn om een vermoedelijke diagnose te bevestigen of om het serotype te bepalen.

Plaats staalname:

Bij levende dieren (kiemdragers zonder klinische tekens of bij klinisch zieke dieren) zou de kiem kunnen geïsoleerd worden uit de tonsillen of de neus. Dit is echter niet eenvoudig door overgroei van een overvloedig aanwezige normale microbiota, tenzij PCR kan uitgevoerd worden. In dit laatste geval kunnen 3-5 dieren van dezelfde groep met dezelfde symptomen bemonsterd worden met een swab/dier voor gepoolde analyse.

Serologisch onderzoek is echter aangewezen voor groepsdiagnose (antistoffendetectie). In het laboratorium wordt een ELISA test op basis van het Apx IV uitgevoerd om antistoffen tegen alle serotypes van A. pleuropneumoniae op te sporen. Deze testen kunnen positief zijn voor weinig pathogene serotypes die geen klinische symptomen veroorzaken. Serotype specifieke ELISA testen zijn ook voorhanden voor serotypes met meer uitgesproken klinische symptomen. Serologisch onderzoek ondersteunt ook in de bepaling van het geschikte tijdstip om tot vaccinatie over te gaan zonder dat er interferentie is met maternale antistoffen.

Bij het individueel aangetaste dier wordt longweefsel verzameld ter hoogte van de letsels of kan materiaal verzameld worden door een swab in de longletsels te draaien. Bloedonderzoek bij verschillende individuele dieren is niet zinvol om de infectiestatus te kennen van de ganse groep.

Hoe bewaren:

Stalen voor kiemisolatie en serotypering moeten zo snel mogelijk aan het laboratorium worden bezorgd. A. pleuropneumoniae is immers weinig resistent in de omgeving.

Longweefsel kan eventueel wel tijdelijk ingevroren (-20°C) worden, maar dit gaat gepaard met een daling van het kiemaantal. Ingevroren stalen kunnen een tweetal weken bewaard worden.

Een swab moet in een geschikt transportmedium gebracht worden en kan koel (+2°C – +6°C) gedurende meerdere dagen bewaard worden. Breng niet te veel materiaal op de swab om overwoekering door contaminanten te vermijden.

Bloed voor serologie moet gekoeld (+2°C – +6°C), maar niet ingevroren, bewaard worden.