NLFR

Otitis externa

Staphylococcus spp., Streptococcus spp., Enterococcus spp., Escherichia coli, Proteus spp., Corynebacterium spp., Pseudomonas spp. (meestal bij chronische otitis), Malassezia spp. (gist), Microsporum canis (schimmel)

Indicaties en opmerkingen

Otitis externa heeft bij de kat zelden een primair bacteriële oorzaak. Veel voorkomende primaire oorzaken zijn oormijt en poliep met een secundaire infectie als gevolg. Antibiotica zijn daarom zelden geïndiceerd (zie ook otitis externa hond). De onderliggende oorzaak dient steeds aangepakt te worden alvorens eventueel tot een lokale antibacteriële behandeling dient overgegaan te worden. Systemische therapie is in de meeste gevallen niet aangewezen.

Keuze van het antibioticum/chemotherapeuticum. (Klik op de naam om de bijsluiter te raadplegen)

Er werd geen onderscheid gemaakt tussen eerste en tweede keuze middelen. De keuze dient gebaseerd te zijn op de resultaten van cytologie en kennis over mogelijk aanwezige microbiële agentia. In moeilijk te behandelen gevallen zoals bij therapiefalen of bij recurrente infecties is het aangewezen een cultuur en gevoeligheidstest uit te voeren.
Eerste keuze(s)
Enkel bij bacteriële etiologie.
framycetine fusidinezuur neomycine + polymyxine B polymyxine B
Tweede keuze(s)
/
Derde keuze(s)
Enkel bij bacteriële etiologie.
doxycycline 1enrofloxacine 1
Voetnoten

1: Enkel bij vermoeden van een dieper gelegen infectie.

+ Aanvullingen

Verschillende antibacteriële middelen en adjuvantia zijn potentieel ototoxisch. Antibacteriële middelen moeten na verwijdering van debris in een zo schoon mogelijk oor aangebracht worden.

Framycetine en neomycine zijn werkzaam tegen Gram-positieve kokken (vnl. stafylokokken) en Gram-negatieve staafjes, behalve wanneer verworven resistentie aanwezig is.

De combinatie van penicilline G met neomycine is vergund voor intramusculaire/subcutane toediening, maar werd niet behouden voor classificatie, omwille van de neveneffecten bij parenteraal gebruik (voornamelijk nefro- en ototoxiciteit).

Enterobacteriaceae zoals Escherichia coli en Proteus spp. kunnen resistentie vertonen tegenover doxycycline. Bij Staphylococcus aureus geïsoleerd uit oorinfecties van katten komt vrij vaak resistentie voor ten opzichte van tetracycline.

S. aureus isolaten uit oorinfecties bij katten kunnen resistentie vertonen tegenover fluoroquinolones.

Bij Pseudomonas aeruginosa geïsoleerd uit otitis bij katten kan resistentie voorkomen tegenover aminosiden en fluoroquinolones. Doxycycline is niet werkzaam tegen Pseudomonas spp.

Polymyxine B is werkzaam tegenover Gram-negatieve bacteriën. Polymyxine B geniet de voorkeur boven aminosiden als therapeutisch middel tegenover P. aeruginosa. Proteus spp. zijn niet gevoelig aan polymyxine B.

Enterokokken, streptokokken, E. coli en Corynebacterium spp. zijn van minder belang bij de behandeling, daar deze kiemen meestal verdwijnen als andere kiemen onder controle zijn.

Orale toediening van doxycycline in de afwezigheid van voedsel of water kan leiden tot letsels ter hoogte van de slokdarm (erosies, ulceraties, strictuur) bij katten.

+ Staalname en diagnostiek

Anamnese en klinisch onderzoek vormen de basis van een diagnose. Otoscopie ter controle van het trommelvlies en cytologie van het cerumen zijn noodzakelijk in de diagnostiek en helpen ook de respons op therapie te controleren. Hierbij kan best een swab genomen worden van het horizontaal oorkanaal (sedatie kan aangewezen zijn) die dan onmiddellijk in transportmedium moet gebracht worden. Van deze swab kan een gram- of snelle bloedkleuring gemaakt worden en dient bacteriologisch en mycologisch cultuur onderzoek te gebeuren. Met behulp van een gram- of snelle bloedkleuring kan men meestal de diagnose Malessezia pachydermatis infectie stellen: men moet ovale en flesvormige cellen zoeken (2-3 x 3-4 µm). Deze lipofiele gist komt ook voor in het oorkanaal van gezonde honden en katten, maar de aantallen zijn meestal klein, zodat men deze niet terugvindt in uitstrijkjes. Een bacteriële cultuur ter hoogte van de horizontale gehoorgang kan worden gebruikt om de behandelingsopties te bepalen en, indien geïndiceerd, een systemische antibioticumtherapie te kiezen. Indien na cultuur Staphylococcus pseudintermedius, Proteus of Pseudomonas aeruginosa geïsoleerd wordt, moet men een antibiogram aanleggen.

Bij diagnostiek moet ook steeds rekening gehouden worden met primaire oorzaken of predisponerende factoren.