Bacteriële cystitis

Escherichia coli, Proteus mirabilis, Enterococcus spp., Staphylococcus (pseud)intermedius, Pseudomonas aeruginosa, Klebsiella pneumoniae

Indicaties en opmerkingen

Een klinische urineweginfectie bij de hond wordt gekenmerkt door dysurie, pollakisurie, pyuria en de aanwezigheid van bacteriën in de urine.

Bij vermoeden van urineweginfectie op basis van klinische symptomen kan cytologie uitgevoerd worden om de aanwezigheid van bacteriën in de urine na te gaan. Een bacteriële cultuur en antibioticagevoeligheidstest zijn essentieel in alle gevallen. Idealiter wordt een urinemonster verkregen via cystocentese om bacteriële contaminatie te voorkomen. In afwachting van de resultaten van het labo-onderzoek (cultuur + antibioticagevoeligheidstest) kan op basis van een pH meting van de urine gecombineerd met een Gram-kleuring en de morfologie van de bacteriën aanwezig in de urine, de betrokken bacteriespecies ingeschat worden. Stafylokokken en Proteus veroorzaken alkalinisatie van de urine, terwijl Escherichia coli en enterokokken de urine verzuren.

Een systemische antibioticumbehandeling is noodzakelijk. Bij niet-gecompliceerde urineweginfecties (bv. sporadische bacteriële cystitis bij anders gezond dier zonder onderliggende anatomische, functionele of systemische factoren) wordt meestal een behandeling aangeraden gedurende 7-14 dagen. Bij gecompliceerde bacteriële urineweginfecties (bv. dieren met onderliggende anatomische, functionele of systemische factoren; recurrente (≥ 3 episodes/jaar) bacteriële cystitis; persistente urinewegeninfectie ondanks therapie; intacte reu) wordt aangeraden om 4 weken te behandelen.

Bij recidiverende of persisterende infecties kunnen onderliggende factoren (resistente bacteriën, urolithiasis, anatomische afwijkingen, neoplasie, diabetes mellitus, …) aan de basis liggen en dienen deze aangepakt te worden. Een voortgezette antibioticumbehandeling tot 4-6 weken, volgend op cultuur en een gevoeligheidstest, is in die gevallen noodzakelijk. Een nauwkeurige opvolging door middel van een bacteriële urinecultuur 1 week na het opstarten en 1 week na het beëindigen van de behandeling is nodig om na te gaan of dergelijke gecompliceerde urineweginfecties onder controle zijn.

Keuze van het antibioticum/chemotherapeuticum. (Klik op de naam om de bijsluiter te raadplegen)

Eerste keuze(s)
cefalexine amoxicilline
Tweede keuze(s)
penicilline G amoxicilline + clavulaanzuur
Derde keuze(s)
cefovecin difloxacine enrofloxacine marbofloxacine pradofloxacine

+ Aanvullingen

Volgens internationale richtlijnen zijn trimethoprim-sulfonamiden een eerste keus therapie bij niet-gecompliceerde bacteriële urineweginfecties. Momenteel is echter geen vergund product voorhanden voor gebruik bij de hond.

Omwille van gelijkenissen in werkingsmechanisme en -spectrum, farmacokinetiek en -dynamiek kan na parenterale toediening van penicilline G overgeschakeld worden naar orale cefalexine voor het verderzetten van de therapie.

Er zijn geen aanwijzingen dat een uitbreiding met clavulaanzuur voordelen biedt ten opzichte van het gebruik van uitsluitend amoxicilline, waarvan hoge concentraties bereikt worden in de urine, behalve bij een infectie door β-lactamase producerende kiemen.

Cefalexine, cefovecin, amoxicilline en de combinatie amoxicilline + clavulaanzuur zijn niet werkzaam tegen Pseudomonas aeruginosa. Een Pseudomonas spp. gerelateerde infectie kan uitsluitend behandeld worden met fluoroquinolones.

Penicilline G heeft voornamelijk een Gram-positief spectrum. Er is een hoge graad van verworven resistentie bij Staphylococcus (pseud)intermedius tegen penicilline G in België. Bij S. aureus stammen geïsoleerd bij honden met urineweginfecties in Europa wordt vaak resistentie vastgesteld tegenover amoxicilline. Resistentie tegenover amoxicilline bij stafylokokken houdt in dat er ook resistentie is tegenover penicilline G.

Er is een stijging in de resistentie van Proteus, geïsoleerd uit infecties van de urinewegen van honden in België, tegenover fluoroquinolones en in mindere mate tegenover cefalosporines van de eerste generatie (cefalexine). Sommige stammen geïsoleerd uit urinestalen van honden in Europa vertonen ook resistentie ten opzichte van fluoroquinolones (met uitzondering van pradofloxacine). Amoxicilline resistentie komt vrij vaak voor, zowel bij Belgische als bij Europese isolaten.

Er kan verworven resistentie zijn van E. coli tegen amoxicilline en cefalexine en in mindere mate tegen fluoroquinolones geïsoleerd bij honden met een urineweginfectie.

Klebsiella spp. vertonen resistentie tegenover amoxicilline. Bepaalde stammen vertonen ook resistentie tegenover de combinatie amoxicilline + clavulaanzuur. Resistentie kan ook voorkomen tegenover cefalexine, cefovecin, difloxacine, enrofloxacine en marbofloxacine.

Cefalexine en cefovecin zijn beiden niet werkzaam tegen Enterococcus spp. Difloxacine, enrofloxacine en marbofloxacine zijn weinig effectief. Amoxicilline is beter werkzaam tegenover Enterococcus spp. dan penicilline G, maar resistentie tegen amoxicilline (+ clavulaanzuur) werd reeds vastgesteld bij Enterococcus spp. geïsoleerd bij honden met lagere urineweginfecties.

Een Pseudomonas spp. gerelateerde infectie kan uitsluitend behandeld worden met quinolones.

De combinatie van penicilline G met neomycine is vergund voor intramusculaire/subcutane toediening, maar werd niet behouden voor classificatie, omwille van de neveneffecten bij parenteraal gebruik (voornamelijk nefro- en ototoxiciteit). Het gebruik van cefalexine, enrofloxacine, marbofloxacine en pradofloxacine bij dieren met een verminderde nierfunctie dient met voorzorg te gebeuren.