Mycoplasmose

Mycoplasma gallisepticum (MG), M. synoviae (MS), M. iowae (MI), M.meleagridis (MM)

Indicaties en opmerkingen

Mycoplasmose bij pluimvee omvat respiratoire en systemische aandoeningen veroorzaakt door Mycoplasma spp. MG wordt in de vleeskuikenhouderij bestreden op ketenniveau. Omdat de facto vooral in de legsector er een noodzaak kan zijn om MG te bestrijden, wordt bij de verdere indeling van de beschikbare antibacteriële middelen rekening gehouden met de wachttijden voor gebruik bij leggende dieren. Alle leeftijden kunnen worden aangetast: mestkuikens zowel als volwassen dieren.

Een levend verzwakt vaccin is sinds 2012 beschikbaar voor MS voor enten van dieren tijdens de opfok, en voor MG kan een geïnactiveerd vaccin ingezet worden tijdens de opfok voor preventie van mycoplasmose bij volwassen dieren. Bij wederkerende problemen van mycoplasmose op een bepaald bedrijf, bij meerleeftijden-bedrijven en bij mestkuikens is er een voorkeur voor vaccineren van de koppels en/of voor het betrekken van dieren van gevaccineerde ouderkoppels.

Mycoplasmose kan zowel verticaal als horizontaal worden overgedragen en aandacht voor de status van de ouderdierkoppels is hierdoor een belangrijke factor in de bestrijding van de aandoening.

MS is een belangrijke primaire pathogeen met naast een directe pathologie bij kip en kalkoen (respiratoire symptomen, eiproductieproblemen en eischaalkwaliteitsproblemen zoals ‘Glazige Punt Eieren’, synovitis) ook een heel belangrijke predisponerende rol in andere respiratoire aandoeningen zoals colibacillosis en Ornithobacterium rhinotracheale infecties. Daarom is dit een kiem die ook bij ontbreken van directe symptomen vaak metafylactisch aangepakt moet worden.

Er dient opgemerkt dat er secundaire factoren gekend zijn die de gevolgen ernstiger maken zoals infectieuze oorzaken (virale zoals Infectieuze Bronchitis). Aandacht voor deze aandoeningen is dan ook belangrijk om mycoplasmose preventief aan te pakken.

Keuze van het antibioticum/chemotherapeuticum. (Klik op de naam om de bijsluiter te raadplegen)

Eerste keuze(s)
tiamuline tilmicosine tylosine tylvalosine
Tweede keuze(s)
chloortetracycline doxycycline lincomycine + spectinomycine 1
Derde keuze(s)
difloxacine enrofloxacine
Voetnoten

1: Lincomycine in combinatie met spectinomycine veroorzaakt in vitro een synergistisch effect tegen Mycoplasma. Na orale opname van spectinomycine wordt echter een trage darmresorptie en slechts een matige weefseldistributie gezien.

+ Aanvullingen

Gevoeligheidsonderzoek bij mycoplasmata geïsoleerd uit pluimvee is tijdrovend en slechts enkele laboratoria voeren deze testen uit in Europa. Daarom wordt er beter afgegaan op literatuurgegevens of een bedrijfsresistentieprofiel (op basis van recente bedrijfsresistentiegegevens van maximum 1 jaar oud) om de keuze van het antibacterieel middel te maken.

Voor chloortetracycline en doxycycline wordt veel resistentie vastgesteld.

Tylvalosine en doxycycline hebben een betere penetratie in de weefsels in vergelijking met andere macroliden respectievelijk tetracyclines en kunnen hierdoor de voorkeur genieten.

Tiamuline werd bij eerste keuze ingedeeld ondanks interactie met ionophore anticoccidiosemiddelen, die heel frequent bij zowel kalkoenen als mestkuikens worden ingezet. Bij leggende dieren worden echter nooit ionophoren toegediend, en daarenboven is tiamuline beschikbaar met een 0 dagen wachttijd bij leggende dieren, vandaar dat het werd opgenomen als eerste keuze. Er moet echter gewezen worden op het gevaar bij gebruik van tiamuline in combinatie met ionophoren.

+ Staalname en diagnostiek

Het aantonen van de kiem via cultuur is niet eenvoudig en voor het stellen van de diagnose wordt dan ook over het algemeen geen gebruik gemaakt van bacteriologisch onderzoek. Door middel van serologisch onderzoek kunnen specifieke antistoffen in het bloed van besmette dieren worden aangetoond vanaf drie weken na besmetting. Vroege infecties, voor de vorming van antistoffen, kunnen met PCR worden aangetoond.

PCR onderscheidt bovendien de vaccinstam van veldstammen.

Wanneer en hoe bemonsteren?

Antistoffen worden terug gevonden bij dieren vanaf drie weken na besmetting.

Het type staal voor PCR is afhankelijk van de Mycoplasma soort en de hiermee gepaard gaande symptomen. De letsels van Mycoplasma infecties (M. gallisepticum) zijn vooral aanwezig ter hoogte van de luchtzakken. Swabs van luchtzakken of trachea worden dan verzameld. Bij M. synoviae kunnen ook gewrichten en pezen betrokken zijn in de ontsteking. Voor staalname ter hoogte van de gewrichten dient eerst de oppervlakte van de huid ontsmet of geschroeid te worden om contaminatie met de huidflora te voorkomen. Nadien wordt het gewricht met een steriele bistouri ingesneden en wordt er met een swab bemonsterd.

Hoe bewaren?

De swabs worden onmiddellijk in transportmedium, bij voorkeur gekoeld (+/- 4°C) bewaard, en zo snel mogelijk aan het labo bezorgd.